Rood      

Er was geen vuiltje aan de lucht tijdens die avondwandeling door de glooiende akkers van Normandië. Het was vakantie en de avondzon was mild en aangenaam. Links van ons strekte zich een akker met rode kolen uit en aan de andere kant een goudkleurig veld, klaar voor de oogst. Halverwege passeerden we, rechts van ons, een wei met vijf jonge stieren. 

We stopten om de majestueuze beesten te bewonderen: hun imposante spierbundels, de vlijmscherpe hoorns. Nieuwsgierig bewogen ze zich naar ons toe. Op aailengte bleven ze staan en staarden ons snuivend en met zwiepende staarten aan. Ik nam me voor hen de volgende dag te gaan tekenen. Tot ik me ineens bewust werd van het iele stukje ijzerdraad dat als enige afrastering, verontrustend laag, tussen ons in hing.
Ik bekeek mijn jas: knalrood. Ik wist dat het een fabeltje was, maar toch trok ik hem voor alle zekerheid uit en verfrommelde hem haastig achter mijn rug. Dat ik die week ervoor op tv het stierenrennen in Pamplona had zitten kijken hielp ook niet mee. Stampend en bulderend spiesten die beesten daar elke willekeurige waaghals als een stukje leverworst op hun hoorns.
Onopvallend zette ik een stap naar achteren.
‘Zullen we verder?’ stelde ik met een benepen stemmetje voor.

We hadden ons nauwelijks omgedraaid, of de eerste stier stapte argeloos over het ijzerdraadje heen. 
Plotseling stonden we daar oog in oog met dat immense beest die ons de terugweg naar huis blokkeerde. Omlopen was geen optie en in de wijde omtrek was geen boer te bekennen. 
In complete freeze-stand zagen we hoe de andere vier volgden. Het gestamp door de straten van Pamplona dreunde na in mijn hoofd. 
Schichtig scande ik de omgeving. Tot ik een solide hek van een ander erf ontdekte en er naartoe spurtte, om me er, zo nodig een hele nacht, achter te verschansen.

Mijn man wierp een blik op zijn horloge, hoewel hij al lang wist hoe laat het was: ik zou blijven zitten waar ik zat. Hij aarzelde. Liever bracht hij de nacht door in een comfortabel bed. En dus toog hij, als een toreador, overgoten door het gouden avondlicht en in mijn herinnering met rode cape en al, dwars door de snuivende kudde heen. 

Een half uur later werd ik met de auto als een prinses bevrijd uit mijn benarde positie. Met mijn neus tegen het autoraampje gedrukt concludeerde ik dat de stieren een heel ander doel voor ogen hadden gehad: namelijk dat veldje aan de overkant. Onbekommerd stonden ze daar met z'n vijven te smikkelen van die heerlijke sappige kolen. Rode, dat dan weer wel.

Copyright 2023 - 2026 Greetje Vagevuur
 - Webdesign by Waves & Woods
linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram